Energiebedrijven zijn minder transparant dan ze lijken

Onderzoek SOMO: Kritisch over toepassing GRI door Elektriciteitsbedrijven

SOMO: “In analysing the actual reporting of the selected companies on the selected GRI Indicators, perhaps the most striking finding is the frequency of discrepancies between the degree to which a company claims that it reports on a certain indicator, and the actual degree of reporting based on the GRI Content Index and Checklist. The GRI Content Index and Checklist is a part of the GRI Reporting Framework that contains specific compilation points on which companies are expected to report for each indicator in order to receive ‘full’ reporting status for that indicator.”

Het punt wat de alliantie hier maakt is simpel: Je mag slechts claimen een indicator volledig te rapporteren, indien je alle compilatiepunten van een indicator rapporteert. Dat is een helder uitgangspunt, met als grote voordeel dat je opeens binair kan praten over MVO: het is goed, of het is fout. Dat lijkt me een prettige positie voor een NGO.

MVOplossingen vindt dat een ongenuanceerd standpunt, dat verworpen dient te worden.

Maar wat vindt GRI eigenlijk zelf van dit standpunt?

SOMO: “If all compilation points of a certain indicator are fully addressed, a company can claim to report ‘fully’ on the indicator. Otherwise, the company can claim ‘partial’ or ‘no’ reporting. GRI staff have confirmed that any analysis of individual indicators should be made on the basis of these compilation points.  Nevertheless, some companies claim that the compilation points are for reference only and are not the determining factor for the degree of reporting. This misunderstanding should be clarified by the GRI.”

Dit betekent dat de belangrijkste conclusie van het rapport gebaseerd is op een discussiepunt. GRI zou er inderdaad goed aan doen om helderheid te verschaffen over het gebruik van compilatiepunten. Om mijn lezers te helpen een eigen mening op te bouwen, zal ik de grootste boosdoener in het onderzoek beschouwen: LA1 – Total workforce by employment type, employment contract, and region

GRI: “The LA1 indicator relates to total workforce by employment type, employment contract, and region (broken down by gender). The LA1 indicator is broken down into the following compilation points:

    • The total workforce broken down by employees and supervised workers (and gender for G3.1).
    • The total number of employees broken down by type of employment contract (and gender for G3.1).
    • The total number of permanent employees broken down by employment type (and gender for G3.1).  
    • The total workforce broken down by region (and gender for G3.1) using a geographic breakdown based on the scale of the organisation’s operations.”

Volgens de SOMO-wetmatigheid rapporteert een organisatie volledig, wanneer aan alle vier de compilatiepunten beschreven worden. Dat is nogal een opgave. Neem alleen al de eerste onderverdeling: rapporteer het aantal medewerkers en de inhuurkrachten. Wat wordt gevraagd? Het aantal arbeiders aan het einde van het jaar, of gemiddeld, of het aantal individuen, of het aantal FTE? Hier zit volgens mij het echte pijnpunt van GRI: In deze ene compilatiepunt zit zo veel ruimte voor eigen interpretatie, dat vergelijken tussen bedrijven veelal onmogelijk is.

De onderverdeling naar employment-type is ook geen sinecure. Hier wordt gevraagd om het personeelsbestand op te splitsen in fulltime en parttime medewerkers.

GRI “Full time: A‘full-time employee’ is defined according to national legislation and practice regarding working time (e.g., national legislation defines that‘full-time’means a minimum of nine months per year and a minimum of 30 hours per week).
Part-time: A‘part-time employee’ is an employee whose working hours per week, month, or year are less than‘full time’ as defined above.”

Deze onderverdeling is voor een multinational nogal lastig, omdat wetgeving per land verschillend is. In Frankrijk is een werkweek maximaal 35 uur, terwijl in Nederland 40 uur heel gewoon wordt gevonden. Zorgvuldige rapportage vraagt dat een organisatie een eigen drempelwaarde vaststelt voor alle landen afzonderlijk. En misschien ook wel per CAO. En daarna gaan we de appels met de peren optellen, om het personeelsbestand goed opgesplitst te kunnen rapporteren?

LA1 nodigt uit om flexibel om te gaan met rapporteren. De vier compilatiepunten zijn stuk voor stuk onderwerpen die lastig te rapporteren en slecht gedefinieerd zijn. Mijn advies aan GRI is dan ook simpel:

Stop met GRI 4 en start met GRI 3.2

En dat kan op een heel eenvoudige manier.

  1. Splits indicatoren op.
  2. Bepaal een eenduidige, sluitende definitie, liefst mondiaal.
  3. Laat een team van ervaringsdeskundigen aangeven welke indicatoren eigenlijk overbodig zijn.

Tenslotte bespreek ik nog kort een aanverwant onderwerp, dat mijns inziens compleet verkeerd gebruikt wordt.

Het sector supplement.

Het Electric Utilities Sector Supplement (EUSS) is een toevoeging aan de GRI richtlijn, met daarin sector specifieke indicatoren. Het EUSS heeft LA1 uitgebreid met een 3-tal extra compilatiepunten.

    • EUSS COMMENTARY: Total contractor workforce by employment type.
    • EUSS COMMENTARY: Total contractor workforce by employment contract.
    • EUSS COMMENTARY: Total contractor workforce by regulatory regime.

Geen idee hoe zo’n commissie ertoe komt indicator LA1 verder uit te breiden tot een 7-tal compilatiepunten. Wat mij betreft is LA1 een typische vuilnisbak indicator. Overigens kan ik me inhoudelijk wel vinden in deze 3 extra compilatiepunten: Blijkbaar is er in deze industrie behoefte om de inzet van inhuurkrachten gedetailleerder te rapporteren. En dat is wat een sector supplement moet doen: gezamenlijk vaststellen wat belangrijk is en deze indicator specifiek te definiëren.

In mijn eerste twee jaar dat ik voor ING Group de informatie verzamelde werd door ING over water gerapporteerd. Op de kwaliteit van de geleverd informatie was wel het een en ander aan te merken: veel geschatte cijfers en de rapporterende onderdelen waren niet consistent. Op basis van dit inzicht hebben we een onderzoek laten doen door een extern bureau om aan te tonen dat het waterverbruik vrijwel geen effect heeft op de ecologische voetafdruk van een kantoororganisatie. In een supplement voor Financial Services zou het daarom goed zijn, om aan te geven dat rapportage over water vervalt of dat gevraagd wordt om over waterprojecten die vallen onder equater principles te rapporteren. Mijn advies aan GRI is ook hier weer simpel:

Een sector supplement maakt een bestaande indicator, waar nodig, sectorspecifiek

Ten slotte nog een kritische opmerking over het onderzoek van SOMO/EPSU.

  • Het onderzoek dient inzicht te geven de kwaliteit van rapportage door Elektriciteitsproducenten. Dit in opdracht van de vereniging van Europese vakbonden (EPSU). Dan is het logisch om het onderwerp arbeidsomstandigheden in het onderzoek op te nemen. Als je constateert dat in deze bouwsteen van GRI de rapportage een lager niveau heeft dan verwacht, is het dan niet logisch dat je als onderzoeker onzeker wordt? Dat je opnieuw na gaat denken over de initiële onderzoeksvraag?
  • Een onderzoek dat inzicht wil verschaffen over rapportage over een holistisch concept als MVO, dient vooral de belangrijkste indicatoren te onderzoeken. Dan denk ik aan de onderwerpen
    • CO2
    • Aandeel groen energie in de portefeuille
    • Opbouw van de brandstofmix voor de elektriciteitsproduktie
  • SOMO heeft ruime ervaring in het benchmarken van sectoren. Dan moet toch voor aanvang van het onderzoek helder zijn, dat er grote verschillen zijn in rapportage over indicatoren?
  • Hoe kan het zijn dat EPSU niet ‘voorbereid was op overweldigende discrepantie’ tussen de geclaimde applicatieniveau en het door SOMO toegekende niveau. Is het dan niet verstandig om de eigen wetmatigheid in twijfel te trekken? Het is verleidelijk om vast te stellen dat het bedrijfsleven in de elektriciteitssector slordig rapporteert. Maar dan moet je wel beter onderzoek gedaan hebben.

0 Responses

  1. Beste MVOptimist,

    Dank voor deze blog over MVO rapportage. Onderzoeken als het besproken onderzoek van SOMO zijn van groot belang om aan te tonen dat er nog een lange weg te gaan is wat betreft rapportage. Er zijn bedrijven (en andere rapporterende organisaties) die heel goed rapporteren over hun MVO activiteiten en resultaten, maar dergelijke onderzoeken laten zien dat er ook veel zijn die niet transparant zijn, of die nog helemaal niet rapporteren op dit gebied. Betrokkenheid van organisaties als SOMO, bloggers en anderen in het maatschappelijke veld zijn van groot belang om bedrijven te volgen en waar nodig op te roepen tot betere rapportage en prestaties op MVO gebied.

    GRI werkt op dit moment aan de volgende generatie van de Sustainability Reporting Guidelines – G4 genaamd. Deze bouwen verder op de huidige versie. Belangrijke doelstellingen voor deze volgende generatie zijn om meer organisaties in staat te stellen te rapporteren, en om in de rapporten meer focus te krijgen op materiele onderwerpen, die inderdaad per sector sterk kunnen verschillen.

    GRI maakt de richtlijnen niet zelf, maar faciliteert het proces om met experts en gebruikers uit de hele wereld de volgende generatie te creeren. Middels een multi-stakeholder proces met meerder zogenoemde Public Comment Periods is veel feedback en input verzameld, allereerst om de focus gebieden voor de wijzigingen te kiezen, later om reacties om een Exposure Draft te vezamelen. Werkgroepen met experts uit verschillende landen en met verschillende expertise- en ervaringsvelden werken aan de veranderingen in de richtlijnen. Daarnaast wordt ook met behulp van een Technical Editing Taskforce gewerkt aan het eenduidiger en duidelijker maken van de richtlijnen, ook buiten de aandachtsvelden van de werkgroepen. Voor meer informatie over het ontwikkelingsproces kunt u terecht op de G4 pagina’s op de GRI website (https://www.globalreporting.org/reporting/latest-guidelines/g4-developments/Pages/default.aspx).

    De G4 richtlijnen zullen gelanceerd worden op de GRI Global Conference, die op 22-24 mei 2013 zal plaatsvinden in de RAI te Amsterdam. Tijdens dat congres zal GRI ook een onderzoek presenteren dat voor een grotere set bedrijfstakken/sectoren inzicht biedt in de materiele onderwerpen per sector. Voor meer informatie over de conferentie kunt u terecht op http://www.griconference.org.

    Marjolein Baghuis

    Director Marketing & Communications

    Global Reporting Initiative

    Reply
    1. Beste Marjolein,
      Dank je wel voor je reactie.

      Graag zou ik van GRI nog een reactie ontvangen over twee inhoudelijke onderwerpen:

      Volledig
      Zoals je kunt zien op deze website zijn SOMO en de MVOptimist het niet met elkaar eens wat “volledig” is.
      SOMO stelt dat simpelweg alle compilatiepunten gerapporteerd dienen te worden, tenzij niet relevant. In dat geval gaat “comply or explain” op.
      De MVOptimist is van mening dat indien de indicator naar de geest van het rapportagedoel wordt gerapporteerd, dit als volledig kan worden gekwalificeerd. De reden voor deze polderiaanse beschrijving zit hem in het karakter van MVO: MVO heeft door haar holistisch karakter zo’n breed aandachtsgebied, dat volledigheid per definitie niet bestaat. Daarnaast is MVO een proces en geen toestand dat je kunt bereiken. In een dergelijke zoektocht moet er ruimte zijn voor keuzes.

      Definitie
      De MVOptimist roept GRI op om de indicatoren een heldere definitie te geven, zodat vergelijking van bedrijven mogelijk wordt. Is dat een mening die door GRI wordt gedeeld?

      Sector supplementen
      De MVOptimist roept op om sector supplementen zo te laten werken dat bestaande indicatoren een sector specifieke definitie krijgt. Is dat een mening die door GRI wordt gedeeld?

      Reply
  2. Het punt wat de alliantie hier maakt is simpel: Je mag slechts claimen een indicator volledig te rapporteren, indien je alle compilatiepunten van een indicator rapporteert. Dat is een helder uitgangspunt, met als grote voordeel dat je opeens binair kan praten over MVO: het is goed, of het is fout. Dat lijkt me een prettige positie voor een NGO.

    Ik vind dat een ongenuanceerd standpunt, dat verworpen dient te worden.

    Dit is niet alleen ons standpunt, maar ook de basis van het GRI raamwerk en haar applicatieniveaus. Het gaat niet over goede of foute MVO, maar over het correct gebruik van de GRI. Het raamwerk staat een bedrijf toe om aan te geven dat het slechts gedeeltelijk rapporteert over een indicator, bijvoorbeeld als het maar een paar van alle compilatiepunten behandelt. Daarnaast is er ook ruimte om uit te leggen waarom de andere compilatiepunten niet behandeld worden, bijvoorbeeld omdat deze niet relevant zijn of omdat de gegevens niet beschikbaar zijn. Wij troffen in ons onderzoek aan dat bedrijven die eigenlijk ‘gedeeltelijk’ rapporteerden, in hun GRI Content Index toch aangeven dat zij ‘volledig’ rapporteren. Op deze manier kunnen zij hun rapport een hoger applicatieniveau geven dan eigenlijk gerechtvaardigd. Dit maakte het onmogelijk om het GRI raamwerk te gebruiken om de MVO rapporten van de verschillende energiemaatschappijen met elkaar te vergelijken.

    In de analyse van ons rapport gaan wij verder in op de achterliggende oorzaken van deze discrepanties. Hier wijzen wij drie ‘schuldigen’ aan; de rapporterende bedrijven, de GRI en de public accountants. Laten we hetzelfde voorbeeld van LA1 nemen om dit te illustreren.

    Géén van de onderzochte bedrijven behandelt alle compilatie punten van LA1. Maar zeven van de achttien bedrijven die op deze indicator rapporteren geven wel aan dat zij ‘volledig’ rapporteren. In het meest extreme geval (TenneT) wordt slechts één van de acht compilatiepunten behandeld. Bij correct gebruik van de GRI zou je dan verwachten dat er in de GRI Content Index staat dat het bedrijf ‘gedeeltelijk’ rapporteert op deze indicator. Dat is voor deze specifieke indicator in bijna 40% van de rapporten niet het geval.

    Je stelt terecht dat een aantal van deze compilatie punten om informatie vragen die moeilijk te interpreteren is. Soms is ook niet duidelijk wat voor informatie de GRI precies verlangt. Dit kwam ook duidelijk naar voren toen wij de onderzochte bedrijven om een reactie vroegen. Bijvoorbeeld: één van de compilatie punten van LA1 heeft het over ‘supervised workers’. Meerdere bedrijven gaven aan dat het niet duidelijk was wat ‘supervised workers’ precies zijn. Of ze gaven aan dat zij werknemers niet op deze manier categoriseren. Hier zou de GRI dus veel duidelijker kunnen zijn. Wij zijn ook al met de GRI in gesprek over de uitkomsten van ons onderzoek, en hoe deze kunnen helpen om het raamwerk verder te verbeteren.

    Tenslotte vinden we dat de public accountants, die de MVO rapporten hebben gecontroleerd, dit niet door de vingers hadden mogen zien. Een ge-audit rapport geeft de indruk dat de informatie betrouwbaar is, en dat het GRI raamwerk juist is toegepast. Ons onderzoek laat zien dat dit vaak niet het geval is, en hierin schieten de accountants dus te kort.

    Het onderzoek dient inzicht te geven de kwaliteit van rapportage door Elektriciteitsproducenten. Dit in opdracht van de vereniging van Europese vakbonden (EPSU). Dan is het logisch om het onderwerp arbeidsomstandigheden in het onderzoek op te nemen. Als je constateert dat in deze bouwsteen van GRI de rapportage een lager niveau heeft dan verwacht, is het dan niet logisch dat je als onderzoeker onzeker wordt? Dat je opnieuw na gaat denken over de initiële onderzoeksvraag?

    Onzeker worden we er niet van, wel heeft het er ons toe gezet het onderzoek aan te passen. Het GRI raamwerk bleek namelijk niet geschikt als basis voor een vergelijking van de bedrijven. Hierdoor bleven er twee keuzes over; of een eigen, subjectieve, beoordeling van de rapporten maken, of het onderzoek juist meer te richten op de discrepanties die we aantroffen. Omdat we vonden dat een kritische blik op (het gebruik van)
    het GRI raamwerk waardevoller was dan onze eigen mening over de rapporten, hebben we voor de laatste optie gekozen.

    Een onderzoek dat inzicht wil verschaffen over
    rapportage over een holistisch concept als MVO, dient vooral de
    belangrijkste indicatoren te onderzoeken. Dan denk ik aan de onderwerpen

    CO2
    Aandeel groen energie in de portefeuille
    Opbouw van de brandstofmix voor de elektriciteitsproduktie

    Ook arbeid is een belangrijk element van MVO. De indicatoren die zijn meegenomen in het onderzoek waren het meest relevant voor EPSU, de opdrachtgever van het rapport.

    SOMO heeft ruime ervaring in het benchmarken van
    sectoren. Dan moet toch voor aanvang van het onderzoek helder zijn,
    dat er grote verschillen zijn in rapportage over indicatoren?

    Daar waren we ook precies naar op zoek. Maar zoals boven uitgelegd maakten de vele discrepanties in de rapporten het onmogelijk om, op basis van een objectief raamwerk als de GRI, deze verschillen in rapportage in beeld te krijgen.

    Hoe kan het zijn dat EPSU niet ‘voorbereid was op overweldigende discrepantie’ tussen de geclaimde applicatieniveau en het door SOMO toegekende niveau. Is het dan niet verstandig om de eigen wetmatigheid in twijfel te trekken? Het is verleidelijk om vast te stellen dat het bedrijfsleven in de elektriciteitssector slordig rapporteert. Maar dan moet je wel beter onderzoek gedaan hebben.

    Zonder voor EPSU te willen spreken, kan ik zeggen dat de uitkomsten voor ons ook verrassend waren. Men zou er van uit moeten kunnen gaan dat een gerespecteerd en wijdverbreid systeem als de GRI op een juiste manier wordt toegepast. Alleen dan heeft het waarde en kunnen bedrijven met elkaar vergeleken worden. Omdat het applicatieniveau van een MVO
    rapport ook gebruikt wordt door bijvoorbeeld duurzame investeerders, moet deze tenminste een juiste reflectie zijn van de volledigheid van de informatie die verschaft wordt. Alleen dan kunnen er goed geïnformeerde investeringsbeslissingen genomen worden.

    Reply
    1. Beste Tim,
      Het is goed dat SOMO een helder standpunt inneemt over volledigheid. Het onderzoek toont helder aan dat de beleving van “volledigheid” bij het bedrijfsleven anders geïnterpreteerd wordt, dan door SOMO en mogelijk ook GRI. De MVOptimist is van mening dat rapporteren over MVO zo ingewikkeld is, dat er ruimte voor interpretatie nodig is. Maar daar zal ik volgende week dieper op in gaan. Ik ben benieuwd of onze discussie helpt om met alle betrokken stakeholders de “speelruimte” te bepalen.
      Volgens de MVOptimist is het echte pijnpunt bij de gebrekkige definiëring van GRI indicatoren. Dit heeft tot gevolg dat bedrijven niet vergelijkbaar worden. Is het idee om daar samen een rapport over te schrijven?

      Reply
  3. Hallo allemaal,
    Leuk om deze discussie te volgen. Terwijl wij ons in de diepte van de techniek rondom GRI-rapportage verstoppen, blijkt de ‘elephant in the bedroom’ totaal vergeten te worden: Dit onderzoek maakt duidelijk dat het niet mogelijk is om te zien of energiebedrijven op dit moment ‘on track’ zijn naar een ‘green & inclusive economy’!

    Mijn hoop was dat GRI met G4 nu uiteindelijk (Nadat dit 2005/2006 op basis van de mogelijkheden wat ‘globally applicable and globally acceptable’ was nog niet kon) de micro-macro-links van de rapportage kunnen leggen en inzichtelijk maken. Er zijn nu carbon footprints, water footprints, meer monetarisatie van bioservices door TEEB, en ook op sociaal vlak is bijvoorbeeld door het Ruggie Framework een betere definitie van maatschappelijk verbonden doelstellingen mogelijk. Maar het merendeel van alle activiteiten van G4 gebeuren aan de ‘voorkant’ (boundaries, DMA, supply chain, application levels, etc.) en zo moeten wij vrezen dat G4 de ‘sustainability context gap’ niet kan sluiten. Zonder passende indicatoren wordt dit dan een enorm gemiste kans.

    Uiteindelijk zijn nu al 120 experts in de ‘Sustainability Context Group’ verzameld om deze enorme zorg te benoemen, maar het lijkt dat GRI al veel te ver is om hier nog aan te sleutelen. Wat zal de effect zijn: bedrijven gaan in 2013 met G4 niets doen, ook omdat ze wachten tot de IIRC Framework gepubliceerd wordt eind 2013. Daar zijn tenminste de ‘six capitals’ genoemd, die op zicht kunnen helpen de sustainability context gap te sluiten (maar deze moeten helder en duidelijk uitgelegt worden). Daarna komt de discussie misschien weer op gang, en wie weet, krijgen wij sneller als we denken de G4.1., ook omdat SASB en GISR met indicatoren bezig is (en GRI ook al met een project is begonnen om sectorspecifieke thema’s te verzamelen).

    Mijn oproep aan GRI: verstop je nu niet in deze technische discussie over compilatiepunten, maar draag bij dat de indicatoren tegen belangrijke benchmarks (North Stars) in gang komt: alleen dan weten wij dat de rapportage ‘meaningful’ is en of bedrijven met de tijd mee gaan of het ‘minimaal nodige’ (of misschien meer?) doen. Zonder sluiten van de sustainability context gap blijven wij steken in de mist! En daarmee is niemand geholpen, toch?

    Ralph Turm
    Associate Director Collaborative Sustainability & Innovation
    Deloitte Nederland

    Reply
    1. Beste Ralph,

      Ik ben het helemaal met je eens. De discussie moet niet gaan over de focalpoints, maar over de vergelijkbaarheid van de informatie.

      Ik heb GRI gevraagd om een inhoudelijke reactie:

      Definitie
      De MVOptimist roept GRI op om de indicatoren een heldere definitie te geven, zodat vergelijking van bedrijven mogelijk wordt. Is dat een mening die door GRI wordt gedeeld?

      Sector supplementen
      De MVOptimist roept op om sector supplementen zo te laten werken dat bestaande indicatoren een sector specifieke definitie krijgt. Is dat een mening die door GRI wordt gedeeld?

      Reply
  4. Beste MVOptimist,

    Dank voor de kritische blik op het onderzoek dat SOMO gedaan heeft naar de toepassing van de GRI richtlijnen door een groot aantal Europese electriciteitsbedrijven zoals GdfSuez, EON, RWE, ENEL, CEZ en anderen. Niet alle grensoverschrijdende bedrijven zijn onderzocht. Elia, Eneco, EnBW bijvoorbeeld zijn niet meegenomen in het onderzoek. Ons budget voor het onderzoek was beperkt.

    Wij, en uit de reacties op uw bijdrage, ook de medewerkers van SOMO en GRI zijn ingenomen met uw reactie. Het draagt bij aan een discussie over het correct rapporteren over MVO waar velen hun voordeel mee kunnen doen.

    EPSU heeft SOMO verzocht onderzoek te doen naar de rapportage van de stroom-bedrijven die gebruik maken van de GRI en de EUSS. Wat rapporteren zij ? Hoe doen ze dat ? Ook hier hebben we een keus moeten maken, en hebben we gekozen voor een aantal indicatoren verbonden met arbeidsomstandigheden, die direct voor ons van belang zijn, ook in Europees verband (zie onder). Het spreekt voor zich dat MVO een veel breder begrip is. Die holistische benadering vinden we ook als vakbonden belangrijk. En natuurlijk is een veel bredere discussie nodig of de stroombedrijven bijdragen aan de :”green and inclusive society” maar dat was niet het onderwerp van de studie.

    De informatie uit de rapportages van de bedrijven zou ons, de Europese vakbonden maar ook de Europese ondernemingsraden, een beeld kunnen geven van de ontwikkkelingen in de energie-sector, bijvoorbeeld het percentage mannen en vrouwen dat er werkt, en of dit verandert of niet. Heeft de sector succes met haar beleid http://www.epsu.org/a/2606 vrouwen betere kansen te bieden zoals afgesproken http://www.epsu.org/a/389 tussen de Europese vakbonden (EPSU) en werkgevers (Eurelectric)? Geven de MVO rapportages inzicht in het aantal werknemers en werkneemsters dat met pensioen gaat? De jaarberichten kunnen de reikwijdte van het probleem van de demografische ontwikkeling http://www.epsu.org/a/4221 in de sector onderstrepen. Dit is een onderwerp waarover de Europese werkgevers en vakbonden zich hebben gebogen. Ze proberen oplossingen aan te reiken op basis van de ervaringen van bedrijven in de sector. Als vakbonden hebben we ook afspraken http://www.epsu.org/a/5343 gemaakt over de sociale aspecten van MVO (CSR) met de Europese werkgevers. De bedrijven in de sector zouden streven naar het gebruik van GRI en EUSS. Bedrijven die deze richtlijnen niet gebruiken moeten van goeden huize komen om ons, maar ook de andere ondernemingen die ze wel gebruiken, te overtuigen van het feit dat hun berichtgeving op hetzelfde niveau staat en van dezelfde kwaliteit is.

    Wij waren ons er zeker van bewust dat de bedrijven verschillend rapporteren. ENEL kan bijvoorbeeld wel aangeven wat het aantal
    mensen is dat werkt op basis van contracten, en EON niet. Wij waren in eerste instantie op zoek naar dergelijke verschillen. Wat kan die verschillen verklaren en wat kan gedaan worden om te zorgen dat alle bedrijven de indicatoren gebruiken. Het niet rapporteren van bepaalde gegevens kan een keuze zijn om een bepaald beleid te verhullen, bijvoorbeeld om meer werk uit te besteden. We waren dus voorbereid op een groot onderscheid tussen de jaarberichten van de bedrijven. Wat we niet konden voorzien was dat bedrijven misbruik maken van het systeem van GRI door iets te claimen waar ze geen recht op hebben, maar wel voordeel van hebben. De reactie van de collega’s van SOMO gaat hier uitgebreid op in. Nog minder waren we er op voorbereid dat ook de ondernemingen die de rapportage moeten controleren, hun werk niet goed doen. Je kunt ons hier wellicht een zekere naïviteit verwijten: wat verwacht je anders van het bedrijfsleven? De corruptie van Enron zou nog vers in ons geheugen moeten liggen. Ook zij speelden met hun boeken en werden daarin niet gedwarsboomd door hun accountancy-kantoor. Je kunt SOMO niet verwijten dat bedrijven een loopje nemen met het GRI systeem. Zeg niet dat je volledig rapporteert als dat niet is gebeurd.

    Wij zouden graag zien dat alle bedrijven maatschappelijk verantwoord ondernemen en daarover op een betrouwbare, transparante en controleerbare manier berichten. Voor EPSU onderstreept het onderzoek dat de vrijwillige rapportage zoals onder GRI zijn beperkingen heeft en dat een wettelijk kader voor de jaar-berichten een oplossing kan bieden. Het zou tevens een gelijke basis creëren voor alle ondernemingen, ook uit landen zoals China of India. De eerste Chinese ondernemingen zijn nu actief in de stroomsector, maar gebruiken GRI onvoldoende. Dat wettelijk kader zal voldoende ruimte laten voor bedrijven om zich te onderscheiden met hun MVO-beleid en acties. En dat is toch iets heel anders dan binair praten over MVO.
    Jan Willem Goudriaan
    Deputy General Secretary, EPSU

    Reply
    1. Beste Jan Willem,

      Zoals je wellicht hebt gezien in mijn reacties naar SOMO, GRI en Deloitte deelt de MVOptimist enkele inzichten met SOMO/EPSU:
      1. Jaarverslagen moeten beter vergelijkbaar worden. Volgens de MVOptimist is de sleutel daarin: heldere definities opstellen:
      1.1. Wat is de meeteenheid (Werknemers, FTE, Mensen op de werkvloer)
      1.2. Hoe om te gaan met de periodiek (Jaareinde, Jaargemiddelde)
      1.3. Inclusiviteit, ofwel wat valt binnen de definitie en wat niet
      2. GRI moet meer helderheid geven over de toepassing van de kwalificatie volledig in de GRI-Index en het toepassen van het applicatieniveau. SOMO/EPSU zijn voor een binaire benadering in deze. De MVOptimist ziet GRI als een richtlijn, en kijkt of de indicator naar de geest gerapporteerd wordt. Het zou volgens de MVOptimist helpen, wanneer GRI de ‘verzamel-indicatoren’ zou splitsen.

      Wij verschillen van mening, dat verplichting de juiste stap vervolgstap is. Indien de richtlijn aangesnoerd wordt zoals hierboven beschreven, wordt het makkelijker om bedrijven aan te spreken. Hoe vager de richtlijn, hoe moeilijker het is voor bedrijven, adviseurs en auditors om deze toe te passen.

      Het lijkt mij goed om naar aanleiding van het onderzoek GRI en enkele leading energiebedrijven om de tafel te krijgen. Als alle partijen een open houding aannemen zal er een gelijk speelveld ontstaan. Strikt zoals SOMO/EPSU voorstelt, of wat flexibeler zoals de MVOptimist dat wenst. Indien dit proces op gang komt, kan EPSU rekenen op een positieve bijdrage van de MVOptimist!

      Menno Kuiper, blogger als MVOptimist
      Specialist in verslaglegging over MVO bij MVOplossingen

      Reply

Geef een reactie